Canlı oyunlarda masa başına ortalama 80 oyuncu bulunmaktadır; bettilt giriş yüksek kapasite destekler.
Online ortamda eğlence arayanların tercihi paribahis platformları oluyor.
Zes procent extra per jaar. Waarom je er toch niet alles in stopt.
Kleine, goedkope en winstgevende aandelen leverden sinds 1963 ruim zes procentpunt per jaar meer op dan de markt. Dat roept een logische vraag op: waarom niet al je geld daarin? Het antwoord zit in een cijfer dat zelden in een brochure staat.
Wie zich verdiept in wetenschappelijk onderbouwd beleggen, komt al snel drie begrippen tegen. Kleine bedrijven hebben historisch meer rendement opgeleverd dan grote. Goedkope aandelen, met een lage koers ten opzichte van de boekwaarde, meer dan dure. En winstgevende bedrijven meer dan onrendabele. Deze drie 'premies' zijn tientallen jaren onderzocht, in tientallen landen, en vormen de basis van hoe wij portefeuilles inrichten.
De vraag die daar onvermijdelijk op volgt, is een scherpe: als je dat weet, waarom koop je dan nog iets anders? Waarom niet alleen aandelen die alle drie de vakjes aanvinken? Wes Crill van Dimensional Fund Advisors beantwoordt die vraag in een recent stuk met een variant op een beroemde filmzin: je zou de tracking error niet aankunnen.
Het rendement is verleidelijk
Eerst de cijfers die de vraag zo logisch maken. Amerikaanse aandelen die tegelijk klein, goedkoop en winstgevend waren, leverden van juli 1963 tot juli 2026 gemiddeld 17,1% per jaar op. De brede Amerikaanse markt deed in dezelfde periode 10,9%. Dat scheelt ruim zes procentpunt per jaar, en bij samengestelde groei is dat geen klein verschil: bij 10,9% verdubbelt je geld ongeveer elke zeven jaar, bij 17,1% ongeveer elke vier.
| Hele markt | Klein, goedkoop én winstgevend | |
|---|---|---|
| Rendement per jaar | 10,9% | 17,1% |
| Verdubbelingstijd | ca. 7 jaar | ca. 4 jaar |
| € 10.000 na 20 jaar | € 79.300 | € 234.900 |
| Slechtste 12 maanden t.o.v. de markt | – | −38,4 pt |
| Slechtste 36 maanden t.o.v. de markt | – | −72,6 pt |
Maar de groep is klein
Voordat je enthousiast wordt: aandelen die alle drie de kenmerken combineren, zijn zeldzaam. Crill vergelijkt ze met eten dat tegelijk gezond en lekker is. Ze bestaan, maar je moet zoeken, en samen vormen ze maar een fractie van de totale markt. Een portefeuille die alleen daaruit bestaat, is dus per definitie smal: weinig bedrijven, weinig sectoren, en een rendement dat heel anders kan lopen dan 'de beurs'.
Dat anders lopen heeft een naam: tracking error. Het is de mate waarin het rendement van een portefeuille afwijkt van dat van de markt, en voor deze groep aandelen bedraagt die 11,8% per jaar. Een abstract getal, maar het volgende maakt het concreet. In de slechtste periode van twaalf maanden bleven deze aandelen 38,4 procentpunt achter bij de markt. In de slechtste periode van drie jaar was de achterstand 72,6 procentpunt.
Hoger gemiddeld rendement, maar met uitschieters die pijn doen
Sta daar even bij stil. Drie jaar lang zie je de beurs stijgen, je buurman wordt rijker, en jouw portefeuille loopt tientallen procenten achter. Niet omdat je iets fout deed, maar omdat je de wetenschap gevolgd hebt. Dat is het moment waarop beleggers de handdoek in de ring gooien, hun geld alsnog in de index stoppen en precies het rendement mislopen waar ze het allemaal voor deden.
“Het probleem is niet het rendement op de lange termijn. Het probleem is of je drie jaar lang kunt aanzien dat iedereen om je heen het beter doet.”
Pepers in het recept
Crills beeld hiervoor is treffend. Inzichten uit onderzoek naar aandelenrendementen zijn als hete pepers. Weinig mensen eten ze los, maar als ingrediënt tillen ze een gerecht naar een hoger niveau. Vertaald naar een portefeuille: je bouwt op een brede, wereldwijde spreiding, en binnen die spreiding leg je wat extra gewicht bij kleine, goedkope en winstgevende bedrijven. Je houdt het verwachte extra rendement, maar in een dosis waarbij de tracking error draaglijk blijft.
Dat is precies de afweging die ten grondslag ligt aan de portefeuilles die wij voor klanten samenstellen. De factorpremies zijn reëel, maar ze zijn alleen iets waard als je ze lang genoeg vasthoudt. En lang genoeg vasthouden lukt alleen als de afwijking van de markt klein genoeg is om door de moeilijke jaren heen te komen.
De drie factoren, kort uitgelegd
- Omvang: kleine bedrijven (lage beurswaarde) hebben historisch een hoger rendement opgeleverd dan grote.
- Relatieve prijs: aandelen met een lage koers ten opzichte van de boekwaarde ('waarde-aandelen') hebben historisch meer opgeleverd dan dure 'groei-aandelen'.
- Winstgevendheid: bedrijven met een hoge operationele winst ten opzichte van het eigen vermogen hebben historisch meer opgeleverd dan bedrijven met een lage winstgevendheid.
- Tracking error: de standaardafwijking van het verschil tussen het rendement van een portefeuille en dat van de markt. Hoe hoger, hoe sterker de portefeuille kan afwijken, naar boven én naar beneden.
- Data: de cijfers zijn gebaseerd op de onderzoeksindices van Eugene Fama en Kenneth French. Dat zijn academische constructies, geen belegbare fondsen; echte portefeuilles hebben kosten en wijken af.
De kanttekeningen die erbij horen
De cijfers gaan over de Amerikaanse markt. Vergelijkbare premies zijn gevonden in andere ontwikkelde markten en in opkomende markten, maar de exacte omvang verschilt per land en per periode. De reeks begint bovendien in 1963 en is deels teruggerekend; in de praktijk is beleggen in kleine, goedkope aandelen jarenlang duurder en moeilijker geweest dan een index suggereert.
En een premie is een gemiddelde over 63 jaar. Dat zegt niets over de komende drie, vijf of tien jaar. Er zijn lange periodes geweest, de jaren negentig bijvoorbeeld, waarin waarde-aandelen jaar na jaar achterbleven. Wie in zulke factoren belegt, moet dat niet doen omdat ze 'gaan winnen', maar omdat de kans op een hoger rendement over een lange horizon gunstig is, en omdat de portefeuille zo gebouwd is dat je die horizon ook haalt.
Wat dit voor jou betekent
De vraag is niet of kleine, goedkope, winstgevende aandelen een hoger verwacht rendement hebben. Dat laat de data behoorlijk overtuigend zien. De vraag is hoeveel afwijking van de markt jij kunt verdragen zonder van koers te veranderen op het slechtste moment. Dat is geen rekenkundige vraag maar een persoonlijke, en het eerlijke antwoord ligt voor de meeste mensen een stuk lager dan ze denken.
Een goede portefeuille houdt daar rekening mee. Niet alles in de pepers, maar ook niet alleen rijst. Brede spreiding als basis, een bewuste kanteling naar de factoren met een hoger verwacht rendement, en een dosering die je ook in een slecht jaar volhoudt. Het extra rendement is er alleen voor wie blijft zitten.

