Het fondsenlandschap: wat er gebeurt met 4.665 fondsen in twintig jaar
De meeste beheerders verslaan hun benchmark niet. Interessanter is de vraag waar het misgaat — en welke kenmerken de kans op teleurstelling wel degelijk vergroten.
Elk jaar analyseert Dimensional de rendementen van een groot deel van de Amerikaanse fondsenmarkt. De editie van 2026 loopt tot en met december 2025 en beslaat 4.665 beleggingsfondsen en ETF's, samen goed voor ruim 12,5 biljoen dollar aan vermogen. De conclusie is bekend, maar de details zijn interessanter dan de kop.
Want “de meeste actieve beheerders verslaan hun benchmark niet” is inmiddels een cliché. De vraag die ertoe doet is een andere: wáár loopt het mis, en welke eigenschappen van een fonds voorspellen wel iets over de kans van slagen? Daar geeft dit onderzoek verrassend concrete antwoorden op.
Het speelveld
Per eind december 2025 telde de steekproef 4.665 in de Verenigde Staten gevestigde fondsen: 2.017 in Amerikaanse aandelen, 1.109 in internationale aandelen en 1.539 in obligaties. Samen beheerden ze 12.491 miljard dollar aan vermogen van beleggers.
Belangrijk detail: indexfondsen zijn uit de steekproef gehaald. Dit onderzoek gaat dus over actief beheerde fondsen — beheerders die proberen de markt te verslaan door af te wijken van de benchmark. De vergelijkingsmaatstaf is per fonds de benchmark die het in zijn eigen prospectus noemt, en de rendementen zijn ná kosten.
Dat laatste is essentieel. De vraag is niet of een beheerder slimme keuzes maakt, maar of die keuzes genoeg opleveren om de rekening voor het maken ervan te overtreffen.
Wat er van een jaargang overblijft
De eerste bevinding gaat niet over rendement maar over overleven. Fondsen verdwijnen namelijk in groten getale — ze worden opgeheven of samengevoegd met een ander fonds, vaak nadat de prestaties zijn tegengevallen.
Van de 3.000 aandelenfondsen die er twintig jaar geleden waren, bestond eind 2025 nog 45%. Meer dan de helft was verdwenen. Bij obligatiefondsen lag dat op 46%. Over kortere perioden is het beeld milder, maar ook over tien jaar was ruim een derde van de aandelenfondsen van het toneel verdwenen.
Overlevers en winnaars per periode
Combineer overleven met presteren en je houdt weinig over. Van de aandelenfondsen die twintig jaar geleden aan de start stonden, heeft 12% de rit uitgezeten én de benchmark verslagen. Ongeveer één op de acht. Bij obligatiefondsen was dat 17%.
| Categorie en periode | Fondsen bij aanvang | Overlevers | Winnaars |
|---|---|---|---|
| Aandelen — 10 jaar | 3.180 | 64% | 15% |
| Aandelen — 15 jaar | 2.985 | 55% | 13% |
| Aandelen — 20 jaar | 3.000 | 45% | 12% |
| Obligaties — 10 jaar | 1.472 | 70% | 39% |
| Obligaties — 15 jaar | 1.429 | 60% | 29% |
| Obligaties — 20 jaar | 1.607 | 46% | 17% |
Waarom die verdwenen fondsen ertoe doen
Je zou kunnen denken dat opgeheven fondsen niet meetellen — ze bestaan immers niet meer. Precies het omgekeerde is waar, en dit is misschien wel het belangrijkste methodologische punt uit het hele onderzoek.
Op het moment dat je twintig jaar geleden een fonds koos, wist je niet welke fondsen zouden overleven. Je koos uit de volledige lijst van 3.000. Elk opgeheven fonds was ooit een reële keuze voor iemand. Wie die fondsen uit de analyse weglaat, meet alleen de prestaties van de overlevenden en krijgt een systematisch te rooskleurig beeld. Dat heet survivorship bias, en het is de reden dat veel gepubliceerde fondsstatistieken er beter uitzien dan de werkelijkheid die beleggers hebben meegemaakt.
“Van de drieduizend aandelenfondsen die er twintig jaar geleden waren, bestond er minder dan de helft nog — en versloeg ongeveer één op de acht zijn benchmark.”
Goede prestaties herhalen zich niet
De meest gebruikte selectiemethode ter wereld is nog altijd: kijk welk fonds het de afgelopen jaren goed deed en koop dat. Dimensional heeft die methode getoetst.
Elk jaar worden de fondsen binnen hun categorie gerangschikt op hun rendement over de voorgaande vijf jaar. Van de fondsen die in het bovenste kwart eindigen, wordt vervolgens gekeken hoeveel er in de víjf jaar daarna opnieuw in het bovenste kwart belanden.
Bij zuiver toeval zou je 25% verwachten. Als vaardigheid een rol speelt, zou het duidelijk hoger moeten liggen. Bij aandelenfondsen was het gemiddelde over de onderzochte perioden 23%. Iets onder wat je van dobbelstenen zou verwachten.
Hoeveel toppresteerders bleven bovenaan?
De meest recente periode is het meest onthullend. Van de aandelenfondsen die over 2016–2020 tot het bovenste kwart behoorden, hoorde over 2021–2025 nog maar 14% daar opnieuw bij. Ruim vijf van de zes toppresteerders vielen terug.
Bij obligatiefondsen lag de gemiddelde persistentie hoger, op 34%, met uitschieters tot boven de 40%. Dat is meer dan toeval zou verklaren, maar het betekent nog steeds dat tweederde van de toppresteerders zijn positie niet vasthield.
De verklaring hoeft geen wantrouwen richting beheerders te zijn. Aandelen- en obligatierendementen bevatten enorm veel ruis. Over vijf jaar is die ruis groot genoeg om een middelmatige beheerder bovenaan te zetten en een goede onderaan. Een indrukwekkend trackrecord kan het gevolg zijn van vaardigheid, maar net zo goed van geluk — en van buitenaf zijn die twee vrijwel niet te onderscheiden.
Waar het misgaat: de kosten
Als de meeste beheerders hun benchmark niet halen, is de logische vervolgvraag waarom. Het onderzoek wijst één factor aan die consistent en meetbaar samenhangt met de uitkomst: de kosten.
De fondsen zijn binnen hun categorie in vier groepen verdeeld op basis van hun gemiddelde kostenratio. Het patroon is opvallend regelmatig, en het wordt sterker naarmate de periode langer is.
| Kostenkwartiel | Mediane kosten aandelenfondsen | Winnaars aandelen (20 jaar) | Mediane kosten obligatiefondsen | Winnaars obligaties (20 jaar) |
|---|---|---|---|---|
| Laag | 0,79% | 20% | 0,49% | 25% |
| Middellaag | 1,03% | 14% | 0,66% | 17% |
| Middelhoog | 1,23% | 9% | 0,79% | 18% |
| Hoog | 1,58% | 5% | 0,99% | 8% |
Percentage winnaars per kostenkwartiel, 20 jaar
Bij aandelenfondsen daalt het percentage winnaars van 20% in het goedkoopste kwartiel naar 5% in het duurste. Vier keer zo klein. Bij obligatiefondsen gaat het van 25% naar 8%. Over kortere perioden is het verschil kleiner, maar de richting is in alle drie de perioden dezelfde.
De reden is prozaïsch. Kosten zijn geen gok maar een zekerheid: ze worden elk jaar in rekening gebracht, ongeacht het resultaat. Hoe hoger ze zijn, hoe meer een beheerder moet goedmaken voordat een belegger er überhaupt iets aan overhoudt. Bij een fonds dat 1,58% per jaar kost, moet de beheerder over twintig jaar consequent meer dan anderhalf procentpunt per jaar aan waarde toevoegen om gelijk te spelen met de benchmark. Dat lukt bijna niemand.
De kosten die je niet op het overzicht ziet
De kostenratio is de zichtbare kant. Daarnaast maakt een fonds handelskosten: brokerkosten, het verschil tussen bied- en laatprijs, en de prijsbeweging die je zelf veroorzaakt als je grote posities koopt of verkoopt. Die kosten staan nergens vermeld, maar kunnen bij aandelenfondsen net zo groot zijn als de kostenratio zelf.
Ze zijn lastig te meten. Een ruwe benadering is de omloopsnelheid van de portefeuille: hoe vaak een beheerder zijn posities in een jaar vervangt. Dimensional heeft de aandelenfondsen ook op die maatstaf ingedeeld.
| Omloopkwartiel | Mediane omloopsnelheid (20 jaar) | Winnaars 10 jaar | Winnaars 15 jaar | Winnaars 20 jaar |
|---|---|---|---|---|
| Laag | 25,6% | 19% | 18% | 20% |
| Middellaag | 51,7% | 15% | 13% | 12% |
| Middelhoog | 75,3% | 14% | 12% | 9% |
| Hoog | 127,1% | 15% | 12% | 6% |
Over twintig jaar versloeg 20% van de rustigst handelende fondsen zijn benchmark, tegenover 6% van de meest actieve. De duurste groep verving in een gemiddeld jaar meer dan de volledige portefeuille.
Let op de nuance: over tien jaar is het verschil klein en niet netjes oplopend. Pas over vijftien en twintig jaar wordt het patroon duidelijk. Handelskosten werken als een langzame lek — op korte termijn nauwelijks merkbaar, over decennia beslissend.
Wat dit onderzoek niet zegt
Een onderzoek dat je bevestigt in wat je al dacht, verdient extra kritische blikken. Een paar eerlijke kanttekeningen.
Het gaat over Amerikaanse fondsen. De steekproef bestaat uit in de VS gevestigde fondsen in dollars, die buiten de Verenigde Staten doorgaans niet verkrijgbaar zijn. Vergelijkbaar Europees onderzoek wijst dezelfde kant op, maar dit specifieke bewijs is Amerikaans.
Dimensional heeft er belang bij. Het onderzoek is uitgevoerd en gepubliceerd door een partij die zelf fondsen verkoopt, waaronder de fondsen die wij in onze portefeuilles gebruiken. De eigen fondsen van Dimensional zitten in de steekproef en de conclusie ondersteunt hun bedrijfsmodel. Dat maakt de cijfers niet onjuist — de methodologie is transparant en de data komen van Morningstar — maar het is een feit dat je moet meewegen. Ook wij hebben dat belang, en daarom noemen we het.
Indexfondsen zijn uitgesloten. Het onderzoek meet actieve beheerders tegen hun benchmark, niet passieve fondsen. De conclusie is dus niet dat indexbeleggen automatisch wint, maar dat actief beheer na kosten meestal verliest.
Er zijn wel degelijk winnaars. Twaalf procent is geen nul. Sommige beheerders voegen waarde toe. Het probleem is dat je ze vooraf niet kunt aanwijzen, en dat de meest gebruikte methode om het te proberen — kijken naar het verleden — aantoonbaar niet werkt.
Een benchmark is een keuze. Fondsen worden vergeleken met de benchmark uit hun eigen prospectus. Die kiest het fonds zelf, wat in beide richtingen kan uitpakken.
Hoe het onderzoek is opgezet
- Steekproef: in de VS gevestigde, in dollars genoteerde beleggingsfondsen en ETF's binnen een vaste set Morningstar-categorieën. Indexfondsen, fondsen van fondsen en load-waived fondsen zijn uitgesloten.
- Peildatum: 31 december 2025, met analyses over perioden van 10, 15 en 20 jaar.
- Overlevers: fondsen met een rendement voor elke maand van de periode.
- Winnaars: fondsen die de periode overleefden én waarvan het cumulatieve nettorendement dat van de benchmark oversteeg.
- Benchmark: de primaire benchmark uit het prospectus van het fonds; waar die reeks ontbreekt, de Morningstar-categorie-index.
- Databronnen: Morningstar voor niet-Dimensional-fondsen; indexdata van Bloomberg, MSCI, Russell, FTSE Fixed Income en S&P Dow Jones Indices. Fondsen met meerdere aandelenklassen zijn samengevoegd tot één strategie.
Wat dit voor jou betekent
Kosten zijn het enige dat je vooraf zeker weet
Van alles wat een fonds bepaalt, is de kostenratio de enige variabele die je met zekerheid kent voordat je instapt. Rendement is een verwachting; kosten zijn een feit. En van alle onderzochte kenmerken is het degene die het duidelijkst samenhangt met de uitkomst. Dat maakt kosten geen detail voor de kleine lettertjes, maar een van de weinige knoppen waaraan je met voorspelbaar effect kunt draaien.
Een trackrecord is geen selectiecriterium
Vijf jaar goede prestaties zeggen bijna niets over de volgende vijf. Dat is geen mening maar een meting, over elf opeenvolgende perioden. Wie fondsen selecteert op recent rendement, koopt vooral in nadat het goede nieuws al in de koersen zit.
Kijk naar wat je wél kunt beoordelen
Als het verleden weinig voorspelt, waar let je dan op? Op de dingen die structureel zijn: de beleggingsfilosofie en of die onderbouwd is; hoe robuust de portefeuille is opgebouwd; hoe efficiënt er gehandeld wordt; en hoeveel het geheel kost. Dat zijn eigenschappen die je vooraf kunt vaststellen en die niet elk kwartaal veranderen.
Hoe wij dit toepassen
Dit onderzoek is een belangrijke reden dat onze portefeuilles zijn opgebouwd zoals ze zijn: breed gespreid, met lage kosten, met een beperkte omloopsnelheid en zonder pogingen om te voorspellen welk marktsegment volgend jaar aan de beurt is.
Dat is geen fatalisme over de markt. Het is de constatering dat de manier waarop de meeste beleggers waarde proberen toe te voegen — de juiste beheerder kiezen, op het juiste moment in- en uitstappen — aantoonbaar duur is en zelden werkt. De ruimte die daarmee vrijkomt, besteden we liever aan de dingen die wel binnen je invloed liggen: de structuur van je portefeuille, de kosten die je betaalt, en de discipline om er in mindere jaren aan vast te houden.
Conclusie
Vier bevindingen blijven overeind. Over twintig jaar verdween meer dan de helft van de fondsen. Van wie aan de start stond, versloeg ongeveer één op de acht aandelenfondsen de benchmark. Toppresteerders bleven zelden aan de top. En de fondsen met de hoogste kosten en de meeste handelsactiviteit hadden veruit de kleinste kans om bij de winnaars te horen.
Wat je daaruit meeneemt, hoeft geen wantrouwen richting beheerders te zijn. Eerder dit: marktprijzen zijn een verrassend goede weergave van alles wat er bekend is, en systematisch slimmer zijn dan die prijzen is duurder dan het oplevert. Wie dat accepteert, houdt tijd en aandacht over voor de vragen die er voor het eigen vermogen werkelijk toe doen.

