In het najaar van 2020 was de conclusie in veel financiële media eensluidend: de waardepremie is dood. Goedkope aandelen hadden bijna drie jaar lang dramatisch achtergelopen bij de 'dure' groeiaandelen van dat moment, en wie nog in 'value' belegde, leek achterhaald. Zes jaar later weten we beter. Over de periode van oktober 2020 tot en met augustus 2026 behaalde de Dimensional US Marketwide Value Index 17,9% per jaar, 4,9 procentpunt per jaar meer dan de brede Amerikaanse markt. Buiten de VS was de voorsprong nog groter: 21,3% per jaar, 7,9 procentpunt boven de brede internationale index.

De vraag die daar nu op volgt, is of die inhaalslag voorbij is. Larry Swedroe, auteur van tientallen boeken over wetenschappelijk onderbouwd beleggen, zocht het antwoord in een recente column voor Morningstar niet in de rendementen van de afgelopen jaren, maar in de maatstaf die daar historisch het meeste over zegt: het waarderingsverschil tussen waarde- en groeiaandelen.

+4,9 pt
Voorsprong per jaar van Amerikaanse waardeaandelen op de markt, okt. 2020 – aug. 2026
80e
Percentiel van het Amerikaanse waarderingsverschil: nog altijd historisch breed
41,4
Shiller CAPE van de Amerikaanse markt, september 2026 (record: 46,1 in 1999)
2,4%
Tienjaars winst/koers in de VS, tegen 4,6% in Europa en Japan

Waarom het prijsverschil zo belangrijk is

Het waarderingsverschil, in het Engels de value spread, meet hoeveel goedkoper waardeaandelen zijn dan groeiaandelen, gemeten op kengetallen als koers/winst en koers/boekwaarde. Hoe groter dat verschil, hoe aantrekkelijker waardeaandelen relatief geprijsd zijn. De logica is dezelfde als bij de aandelenmarkt als geheel: zoals de waardering van de markt de beste voorspeller is van het toekomstige aandelenrendement, zo is het waarderingsverschil de beste voorspeller van de waardepremie.

Daar hoort een belangrijke kanttekening bij. Op korte termijn zegt het verschil vrijwel niets. Een breed waarderingsverschil kan jaren verder oplopen voordat het keert, zoals eind jaren negentig gebeurde. Over periodes van tien jaar of langer is het wel degelijk informatief, en dat is precies de horizon waarop een belegger met een goed gespreide portefeuille moet kijken.

Wat de geschiedenis leert

De grafiek hieronder toont het waarderingsverschil sinds 1984 voor drie regio's, uitgedrukt in standaarddeviaties ten opzichte van het eigen langjarig gemiddelde. Een waarde van 0 betekent 'normaal'; boven 0 zijn waardeaandelen goedkoper dan gebruikelijk. Het patroon is opvallend consistent: telkens wanneer de spread extreem opliep, volgde een periode van sterke outperformance van waardeaandelen.

Waarderingsverschil tussen waarde- en groeiaandelen

Large caps, in standaarddeviaties ten opzichte van het eigen gemiddelde (z-score), januari 1984 – juni 2026. Boven 0 zijn waardeaandelen relatief goedkoper dan normaal.
Verenigde Staten Ontwikkeld internationaal Opkomende markten
Bron: AQR. Spreads zijn sector- en dollarneutraal en gebaseerd op boekwaarde/koers, winst/koers, verwachte winst/koers, omzet/ondernemingswaarde en kasstroom/ondernemingswaarde.

De dotcom-bubbel. Eind jaren negentig stegen de koers-winstverhoudingen van groeiaandelen naar recordhoogte en liep het waarderingsverschil enorm op. De waardepremie werd negatief en 'value' werd voor het eerst doodverklaard. Toen de bubbel in maart 2000 knapte, kromp het verschil en presteerden waardeaandelen jarenlang sterk, tot aan de financiële crisis.

2009 tot 2017. Een rustige periode: waarde- en groeiaandelen leverden ongeveer hetzelfde rendement op en de spread bleef onder het gemiddelde. Van een waardepremie was nauwelijks sprake.

2018 tot september 2020. Het waarderingsverschil liep opnieuw op tot niveaus die vergelijkbaar waren met de top van de dotcom-bubbel, en liep zelfs daarna nog door tot een piek eind 2021. Het gevolg was misschien wel de slechtste periode ooit voor de waardepremie. Het Amerikaanse small-cap-waardefonds van Dimensional verloor tussen 2018 en september 2020 9,0% per jaar, terwijl de S&P 500 10,8% per jaar won: een achterstand van bijna 20 procentpunt per jaar.

S&P 500 Amerikaanse small caps Amerikaanse small-cap value
Rendement per jaar, 2018 – sept. 2020 +10,8% +1,7% −9,0%
Verschil met de S&P 500 – −9,1 pt −19,8 pt
In dollars. Small caps: CRSP 6-10 index. Small-cap value: DFA US Small Cap Value Portfolio (DFSVX). Bron: Larry Swedroe, Morningstar. Rendementen uit het verleden bieden geen garantie voor de toekomst.

Voor beleggers in kleine waardeaandelen kwam de klap van twee kanten: ook kleine aandelen als groep bleven ver achter bij de grote. Zowel de omvang- als de waardefactor leverde in die jaren een negatief rendement op. Terwijl de media de waardepremie opnieuw doodverklaarden, wees het brede waarderingsverschil juist op een krachtig herstel. Dat herstel kwam er, en het was sterker dan het historisch gemiddelde.

“Een breed waarderingsverschil is geen voorspelling voor volgend jaar. Het is een verwachting voor de komende tien.”

Waar staan we nu?

Ondanks zes jaar outperformance is het waarderingsverschil nog lang niet terug op normaal. De grafiek laat zien hoe ver het al is ingelopen sinds de piek van eind 2021: in de VS van 3,08 standaarddeviaties boven het gemiddelde naar 1,15 medio 2026. Maar AQR's cijfers tot en met september 2026 plaatsen de Amerikaanse spread nog altijd op het 80e percentiel van de eigen historie, en die van opkomende markten op het 62e. Alleen in de ontwikkelde markten buiten de VS is het verschil inmiddels onder het gemiddelde gezakt, naar het 42e percentiel.

Regio Spread, piek 2021–23 Spread, juni 2026 Percentiel, sept. 2026
Verenigde Staten 3,08 1,15 80e
Opkomende markten 2,85 0,48 62e
Ontwikkeld internationaal 2,86 −0,37 42e
Spreads in standaarddeviaties ten opzichte van het eigen gemiddelde. Percentielen volgens AQR, large caps, data sinds 1982. Bron: AQR via Larry Swedroe, Morningstar.

Dat de internationale markten lager scoren, is niet verrassend. Sinds 2009 heeft de waardepremie daar veel beter gepresteerd dan in de VS, waardoor het verschil er al grotendeels is ingelopen. Het betekent niet dat waardeaandelen in Europa en Japan duur zijn, wel dat het extra rendement daar vanaf nu dichter bij het langjarig gemiddelde zal liggen.

Het bredere plaatje: de VS zijn duur, de rest van de wereld niet

Swedroe sluit af met een tweede maatstaf die dezelfde boodschap vanuit een andere hoek geeft: de Shiller CAPE, de koers gedeeld door de gemiddelde reële winst over de afgelopen tien jaar. Waar het waarderingsverschil iets zegt over waarde versus groei binnen een markt, zegt de CAPE iets over de prijs van de markt als geheel.

Shiller CAPE per regio

Koers gedeeld door de gemiddelde reële winst over tien jaar, januari 1980 – september 2026.
Verenigde Staten Ontwikkeld internationaal (EAFE) Opkomende markten
Bron: Robert Shiller's Data Library, MSCI, Consensus Economics, AQR. VS komt ongeveer overeen met de S&P 500; EAFE en opkomende markten zijn samengesteld uit landendata met MSCI-gewichten. De Amerikaanse reeks loopt terug tot 1900; hier getoond vanaf 1980.

De Amerikaanse CAPE stond eind september 2026 op 41,4. Dat is het 98e percentiel van de eigen historie sinds 1900 en dicht bij het record van 46,1 uit december 1999, op het hoogtepunt van de dotcom-bubbel. Ontwikkelde markten buiten de VS noteren 21,6, opkomende markten 23,3. Omgedraaid naar winst/koers wordt het verschil tastbaar: Amerikaanse aandelen leveren 2,4% aan tienjaars winst per geïnvesteerde euro, Europese en Japanse aandelen 4,6% en opkomende markten 4,3%.

Shiller winst/koers per regio

Gemiddelde reële winst over tien jaar als percentage van de koers (het omgekeerde van de CAPE), januari 1980 – september 2026. Hoe hoger, hoe goedkoper.
Verenigde Staten Ontwikkeld internationaal (EAFE) Opkomende markten
Bron: Robert Shiller's Data Library, MSCI, Consensus Economics, AQR. Tienjaars winst/koers per land is het gemiddelde van de eenjaars winst/koers over de afgelopen tien jaar.

De begrippen, kort uitgelegd

  • Waardeaandelen: aandelen met een lage koers ten opzichte van fundamentele maatstaven als boekwaarde, winst of kasstroom. Groeiaandelen zijn het tegenovergestelde: relatief duur, vaak omdat beleggers hoge toekomstige groei verwachten.
  • Waardepremie: het extra rendement dat waardeaandelen historisch hebben opgeleverd ten opzichte van groeiaandelen. Een gemiddelde over lange periodes, met jarenlange uitschieters naar beneden én naar boven.
  • Waarderingsverschil (value spread): het verschil in waardering tussen de goedkoopste en de duurste aandelen binnen een markt. AQR drukt het uit als z-score: het aantal standaarddeviaties boven of onder het eigen langjarig gemiddelde.
  • Shiller CAPE: de koers van een markt gedeeld door de gemiddelde, voor inflatie gecorrigeerde winst over de afgelopen tien jaar. Door tien jaar te middelen worden conjunctuurschommelingen in de winst uitgevlakt.
  • Percentiel: de plaats van de huidige waarde in de eigen geschiedenis. Een 80e percentiel betekent dat de spread in 80% van alle maanden sinds het begin van de reeks lager was dan nu.

De kanttekeningen die erbij horen

Het waarderingsverschil is een verwachting, geen garantie. Eind jaren negentig liep de spread nog twee jaar door nadat hij historisch breed was geworden, en wie in 1998 instapte, zag waardeaandelen eerst verder achterblijven. Hetzelfde gebeurde tussen 2018 en 2021. Een breed verschil zegt dat de kansen gunstig liggen over een lange horizon, niet dat de ommekeer dit jaar komt.

De cijfers zijn bovendien gebaseerd op onderzoeksindices en hypothetische portefeuilles, niet op belegbare fondsen. Echte portefeuilles hebben kosten en wijken af. En de percentielen van AQR gaan over large caps; voor kleinere aandelen kan het beeld anders zijn. Ten slotte: dat de Amerikaanse markt als geheel duur is, zegt niets over het rendement van volgend jaar. Dure markten kunnen lang duur blijven, zoals de afgelopen tien jaar hebben laten zien.

Wat dit voor jou betekent

De afgelopen zes jaar hebben het bewijs geleverd dat de waardepremie niet dood was, maar hooguit sliep. De cijfers van nu zeggen dat er geen reden is om de kanteling naar waardeaandelen los te laten, en zeker niet in de VS en opkomende markten, waar het prijsverschil nog altijd historisch breed is. Ze zeggen ook dat de Amerikaanse markt als geheel, gedomineerd door een handvol dure groeiaandelen, nog nooit zo duur is geweest buiten de dotcom-bubbel.

Voor een goed gespreide portefeuille is de conclusie daarmee dezelfde als altijd: wereldwijd spreiden, niet alles op de Amerikaanse markt zetten, en binnen die spreiding bewust kiezen voor de aandelen die goedkoop zijn ten opzichte van wat ze verdienen. Niet omdat die volgend jaar winnen, maar omdat de kans op een hoger rendement over de komende tien jaar gunstig is. Het waarderingsverschil van vandaag is het rendement van morgen, alleen weet niemand hoe ver morgen weg is.

Disclaimer: Dit artikel is opgesteld door EBI Capital Partners B.V. en heeft uitsluitend een informatief karakter. Het vormt geen beleggingsadvies in de zin van de Wet op het financieel toezicht (Wft) en is geen aanbeveling of aanbod tot het verlenen van diensten. Rendementen uit het verleden bieden geen garantie voor de toekomst; de waarde van je belegging kan fluctueren en je kunt minder terugkrijgen dan je hebt ingelegd. De weergegeven cijfers zijn gebaseerd op onderzoeksindices en hypothetische portefeuilles van Dimensional Fund Advisors en AQR; deze zijn niet rechtstreeks belegbaar en houden geen rekening met kosten, spreads of belastingen. Of beleggen passend is, hangt af van je persoonlijke omstandigheden, doelstellingen en risicobereidheid. Bron: L. Swedroe, ‘Valuation Spreads Continue to Favor Value Stocks’, Morningstar, 23 oktober 2026; AQR; Robert Shiller's Data Library; MSCI; Consensus Economics. EBI Capital staat onder toezicht van de Autoriteit Financiële Markten (AFM).